PingPong en draagbare toiletten

Het grofvuil komt morgen.

Er staat nog zoveel in huis dat weg moet. Weg kan. Weg mag. De schuur… ik durf de deur nauwelijks open te doen. Dus eerst begin ik op zolder.

Het heeft me altijd verbaasd hoe iemand die zo vertrekt, ook zijn spullen achter kan laten. Nou ja, alsof die van meer waarde zouden zijn dan de mensen die hij achterlaat. Dat is natuurlijk niet zo. Als je al terugkomt, is dat om de mensen op te halen die van je hielden en niet je dozen prullaria. Dus had ik de afgelopen jaren boeken, schoenen. kleding, administratie ingepakt en kwam hij die zo nu en dan halen, laadde het in de gezinsauto en vertrok dan weer snel. Alleen verzamel je nogal wat in een leven van 28 jaar samen. Steeds opnieuw kwam ik dingen tegen. Die sportschoenen, wat moet ik daarmee?

Laat maar staan, appte hij dan terug. Alsof er altijd een deurtje open moest blijven en hij zich zo weer hier zou voegen. Maar het wordt tijd dat ik nu toch echt alles opruim. Iedereen die gescheiden is, zal weten dat zoiets ook erg pijnlijk is.

Ik sjouw dozen vol spullen naar beneden. Zelfs een familiefoto op canvas, die al jaren op zolder stond. Ik kijk er nog een keer naar, wanneer ik hem buiten tegen de boom heb gezet. Het is een collage van gelukkige momenten als gezin.

Dan volgt de schuur. Oef. Ik kijk naar de vele spullen die er staan en begin maar gewoon. En hoe meer ik naar de straatkant sjouw, hoe weemoediger ik word en hoe meer beelden het oproept. Tennisrackets, sommigen nauwelijks gebruikt. Ik was zo’n tennisweduwe die in het tennisseizoen alleen zat terwijl hij op het gravel stond. ‘Leer je mij ook eens tennissen? Dan kunnen we dat samen doen, dat lijkt me fijn!’ vroeg ik soms. Dat gebeurde alleen niet.

Skates. Zijn oude sleetje, echt heel ouderwets en verroeste onderkant. We hadden er een blauwe badjasceintuur aangebonden, want dat deed minder pijn aan onze handen dan dat stugge touw. Beelden. Hoe de kinderen erop zaten als het sneeuwde en we samen met hen door de sneeuw ploegden, in de winter. Oude spullen van de kinderen. Zandbakspullen. Een tas vol cd’s. Sinds Spotify niet meer nodig. Ik zie ook nog dozen van onze studententijd staan, maar daar kan ik niet bij. Volgende keer maar.

Opeens komt de portable toilet tevoorschijn. Gekocht toen we voor het eerst gingen glampen, zodat we ‘s avonds niet over de donkere camping hoefden te lopen naar de toiletten met de kinderen. Zonder morren, ook al vond hij het wat onnodig, pakten we het grijze gevaarte in en reden naar Frankrijk. Een bijzondere vakantie. We kampeerden eigenlijk nooit in tenten, maar dit was glamping – kamperen met glamour. Althans, zo stond het op de site. Luxe safaritent, op een prachtige locatie. ‘s Nachts zat de tent echter vol ongedierte, dat door alle kieren en gaatjes kroop. Sprinkhanen op je gezicht als je sliep. Kikkers tegen de tentdoeken. Dikke kluwen spinnen in de nok. Al gauw hadden we alle vijf de boxprings tegen elkaar geschoven als een enorm bed, waar we met elkaar sliepen, zodat er in ieder geval geen kikkers tussen de bedden kwamen. Er was weinig glamour aan en toch was het fijn. Zoals al onze vakanties, een goede reflectie van onze relatie, –  liefdevol, warm, vol plezier, –  waren. Nou ja, tot de midlifecrisis natuurlijk. Toen werd alles anders. Ik denk nog zo vaak: WTF happened?! Ik zet de wc aan de straatkant. Ik ga toch nooit meer glampen.

Een mand vol oude hockeyspullen. Ongebruikte wintermatten uit de gezinsauto. Ik verbaas me erover wat een uitdragerij de schuur eigenlijk is. Oude pingpongbatjes. Beelden van de vakanties op campings (in caravans of huisjes – nooit meer in een safaritent;) ) waarbij met met z’n allen gingen pingpongen. Het plezier dat er vanaf spatte. Daarna tegen elkaar in slaap vallen op te krappe bedjes in te warme caravans. En toch heel happy zijn. De lol en de liefde, op campings overal in Europa. Spullen van het schoolkamp in de Ardennen. Tentjes. Wandelschoenen. We zouden nog steeds een keer naar de Ardennen teruggaan met de kinderen om te gaan mountainbiken en zo. Niet meer van gekomen. Een honkbalbal, gekocht in Disneyland. Oude golfsticks gekocht op rommelmarkten. Skates.

Als alles aan de straatkant staat, loop ik naar binnen. Er staat nog meer maar ik kan het even niet meer opbrengen. Het voelt een beetje alsof ik stukjes van mijn oude leven aan de straatkant heb gezet. Ook na al die tijd, kan de pijn van wat er allemaal gebeurd is, me zomaar overvallen. Dat wil niet zeggen dat ik niet gelukkig ben nu, dat ben ik wel, maar soms piept de pijn nog even op. Ik barst dan ook in tranen uit bij een nummer op de radio. Landslide, Fleetwood Mac.

Well, I’ve been ‘fraid of changin’
‘Cause I’ve built my life around you
But time makes you bolder
Even children get older
And I’m gettin’ older, too

Er stopt een busje en er stapt een man uit. Hij rommelt door de spullen en pakt wat dingen die hij in zijn auto zet. Ik ben benieuwd wat hij mee heeft genomen. Dan rijdt hij weg.

Ik zie het beeld weer. Pingpongen op de camping. Gezinsgeluk. Zo had het altijd moeten zijn.

Ik droog mijn tranen, ren naar buiten en zoek de pingpongbatjes. Ze liggen er nog. Goddank. Ik vis ze uit de zak en leg ze binnen weer neer. Toch nog iets gered.