#ProjectMe – happinessblog

Schermafbeelding 2020-01-14 om 12.27.37

Kun je wel in je huis blijven wonen, vraagt iedereen.

Als de zon door het raam komt. Als het aan het eind van de dag schemert en ik wat kaarsjes aandoe. Als we uit het keukenraam op het bos kijken. Als ik ‘s nachts in bed lig en luister naar uilen en jagers. Als ik ‘s avonds bij het uitlaten van Moos een vosje tegenkom. Als ik bovenkom, met de overloop-vloer die ik zelf gelegd heb, als we op de bank zitten en naar iets op tv kijken, als we aan de eettafel zitten met z’n allen, lachen en eten.

Dit huis is onze happiness-place. Dat van mij en de kinderen. Een waar thuis. Veilige haven. Basis. Zoals Blof zingt: hier leg ik aan.

Het is de plek waar geboren werd. Waar ik werk, het loopt door elkaar heen. Hier werk, schrijf, leef, lach, huil, heel ik.

‘Kun je wel in je huis blijven?’ Dat vraagt praktisch iedereen. Op een of andere wijze wordt geaccepteerd dat wie een partner verliest aan dood of  een ander of scheiding,  ook nog eens het huis zal verliezen. Ik vind dat niet normaal, heel eerlijk. Het voelt oneerlijk, ook naar de kinderen toe. Dit is hun ouderlijk huis, ook als ze niet allemaal meer iedere dag hier slapen. Ik vind het een pervers gegeven dat je zoveel meer verliest in een scheiding dan alleen die partner.

De komende 2,5 jaar wonen wij hier sowieso nog. Dat is onze afspraak, daarna zien we verder en ligt het aan wat de alternatieven zijn. Ik kan tenslotte niet onder een brug slapen en dat zal exgenoot ook nooit willen. De komende 2,5 jaar hebben de kinderen en ik in ieder geval een dak boven ons hoofd.

ruimte

Toen hij vertrok, hebben we onmiddellijk het huis ‘eigen’ gemaakt. Dat, stond in alle boeken en therapieën, was belangrijk. Wis de sporen van iets dat pijn doet, maak het van de overblijvers.  Dat deed ik. Nieuwe bank, overal foto’s in huis van nieuwe gelukkige momenten die de kinderen en ik maken. De tv op een minder prominente plek, nieuw vloerkleed (oke, noodgedwongen omdat de kat erop geplast had), andere lampen, lang leve Ikea en Leen Bakker en Kwantum. Eindelijk, dankzij mijn broer, een fijne nieuwe douchecel met deuren die blijven hangen. Nieuwe verflagen op de muren. Nieuwe planten en oude babyfoto’s, want die blijven. De boekenkast opgeruimd. De lege kledingkast durfde ik pas na ruim twee jaar te gaan inrichten met mijn kleding, want immers: hij zou nog terug kunnen komen, tijd en ruimte. Dus liet ik letterlijk ruimte over, zodat hij er weer in kon passen en pas ergens begin vorig jaar, toen ik geen ruimte meer over wilde laten, begon ik dingen op te bergen in lege vakken, lege kasten.

‘Wat hebben we een heerlijk thuis,’ verzuchten kinderen en ik met regelmaat. ‘Het is onze basis.’ Ik moet er niet aan denken dat ik dat ooit kwijt kan raken en het lijkt me voor hen ook vreselijk, als er geen thuis meer is waar ze opgegroeid zijn. Hopelijk komt het niet zo ver en is er tegen die tijd een oplossing. Keihard werken dus om dit te kunnen behouden.

 

Als ik met mijn krant of tijdschrift op de bank zit, terwijl de zon binnenstroomt. Muziekje op. Wierook aan en het buddha beeld dat rustig op ons neerkijkt.

Dat is puur geluk. Dit is onze happinessplek. 

 

#ProjectME – happinessblogs

Terwijl ik om half elf ‘s avonds door Amsterdam rijd, overvalt me een geluksgevoel. Over de smalle grachten. Over de hoge bruggetjes. De negen straatjes zijn nog zo feeëriek mooi versierd. Ik rijd langs prachtige grachtenpanden en stel me voor hoe het zou zijn daar te wonen. Langs de Indiër, die al een paar weken zijn zaak gesloten heeft. Supertramp op de radio. Uitkijken voor fietsers zonder licht. Over trambanen. Mijn moeder was dol op Amsterdam, maar kwam er niet vaak. Ik stel me voor hoe ze een sigaretje opsteekt en vol trots van boven kijkt hoe ik weer naar huis, naar mijn gezin rijd. Hoe ze trots is op hoe ik het doe, de afgelopen jaren.

Ik heb zojuist mijn laatste les van dit cursusblok gegeven. Jammer, bedenk ik me. Amsterdam is ver weg maar ik geniet intens van de avonden lesgeven in het prachtige oude gebouw, aan gemotiveerde en getalenteerde mensen. Schrijven is solitair, en dit soort trajecten zorgt ervoor dat ik me even onderdeel van iets groters voel.

Ik hou van ‘s avonds werken. Ik hou van door Nederland rijden als ik lezingen geef, van scholen bezoeken, van kinderen laten lachen en het beste uit hen04fa211746b8dff7e98d45731729dea5_largehalen als schoolschrijver, van daarna weer in afzondering (relatief) thuis zitten en de verhalen in mijn hoofd opschrijven. Ik hou van de schrijfretraite die er in september weer aankomt.

Het is niet altijd zo. Soms rij ik weg uit Amsterdam en kom ik in een soort timelapse terecht.  ‘O, even J bellen en vertellen hoe leuk de avond was!’ Dat zijn pijnlijke momenten. Zo moeten weduwnaars en weduwen zich ook voelen. Het kan niet meer. Het wordt niet gewaardeerd. Dus bel ik meestal vriendinnen die weten hoe dat voelt en na een minuut of tien voel ik me dan weer stukken beter en zoef over de A27 door.  Soms realiseer ik me dat J dit deel van mijn leven, als cursusleider in Amsterdam of Rotterdam, helemaal niet kent. Dat hij niets weet over mijn Schoolschrijvertraject, over de lezingen die ik sinds een paar jaar op middelbare scholen geef, over de boeken die eraan komen. Over Eat Stay Write. Hij maakt het allemaal niet mee, dat succes en hoe het harde werken vruchten afwerpt. Hoe blij ik ervan word.

Maar ik maak het wel mee. En de mensen om me heen ook. Het voelt heerlijk. Ik zet de radio nog wat harder en zing mee. And I will go on shining. Shining like brand new. I’ll never look behind me. My troubles will be few.