Vijfde verdieping, tweede links

Ik voel een enorme weerstand, zoals altijd, wanneer ik deze wijk inrijd. Daar waar ik, los van de jaren in Azië, mijn jeugd doorbracht. En zonder dat ik er controle over heb, laat ik de weerstand los en gebeurt het…

Schermafbeelding 2019-11-29 om 17.40.37

 

Of we nog even inkopen kunnen doen, vraagt mijn vader. Ik onderdruk een ongeduldig gevoel. Er zijn thuis nog allerlei dingen om te doen, maar ik knik en we rijden de wijk in,  naar het winkelcentrum.

Ik passeer de flat waar exgenoot en ik startten. Vol van liefde en dromen voor de toekomst. Het was zijn studentenflat geweest. Eerst hadden we in mijn studentenunit gewoond, en na een halfjaar trokken we in zijn flat en werd het onze flat. Vijf hoog in een wijk die, at best, een volkswijk nog kon heten. De wijk die ik eigenlijk al ontvlucht was, een paar jaar eerder. En nu was ik er terug met hem, en was het de plek om gelukkig te zijn.

Ik kijk vluchtig naar de vijfde verdieping, tweede van links.

We droomden toen over een eigen huisje, tuin, kinderen, carrières. Hij coach, ik schrijfster. We kregen het allemaal.

Ik was deze wijk al een poos ontgroeid. Al in mijn jeugd, eigenlijk, op het moment dat we naar Azië vertrokken. Ik paste er niet meer in en werd er vreselijk gepest als we op ons halfjaarlijkse verlof in Nederland waren. Dat meisje uit Azië, die met dat personeel, wat denkt ze wel niet? Mijn ouders hadden altijd het huis aangehouden, zodat we in ons verlof een thuis hadden. Alleen was het geen thuis meer. Dat was in Surabaya, in Jakarta, voor mij.

Toen we terugkeerden uit Indonesië, trokken we weer in dat huis. De wijk was inmiddels aan het veranderen. Van nieuwe vinexwijk, waar mijn ouders de eerste bewoners waren, naar steeds meer achterstand. Ik wilde er weg en kwam terecht in een studentenwoning in het centrum, dat ik later met J. deelde, voordat we naar zijn flat verhuisden – in diezelfde wijk dus. Mijn ouders woonden er ook nog maar inmiddels in een nieuwbouwstuk, in een prachtige grote woning, een ander wijkdeel. Na vijf jaar verhuisden J. en ik naar onze eerste echte koopwoning. 20 meter tuin, in de mooiste straat van de stad. En altijd kwam ik terug naar die wijk om mijn ouders te bezoeken. Ik bleef er lange tijd mijn inkopen doen. Dan zette ik de baby’s bij mijn moeder en kon even rustig alleen boodschappen doen.

 

Oma’s feestje

Ik liep er met mijn moeder achter wandelwagens, buggy’s. Met 1, 2 3 kinderen. De wijk was inmiddels steeds meer een plek geworden waar een splitsing ontstond. De oude generatie eerste bewoners die er nog woonden en de nieuwe bewoners die vaak andere talen spraken, of gewoon nergens anders heen konden. Maar als ik met mijn moeder liep, met de kindjes, was het feest. Oma’s feestje, en dat van ons. Oma deed niets liever dan grote glimlachen op hun gezicht toveren door ze altijd even iets uit te laten zoeken in de speelgoedwinkel, en op een taartje te trakteren bij het koffiehoekje. Kleding voor ze kopen in het kinderkledingzaakje.

De laatste jaren van haar leven kwam ik er niet vaak meer. Maar als ik kwam, stond ik even stil bij de flat waar J en ik gewoond hadden en dan realiseerde ik me hoe we onze dromen waar hadden gemaakt: huisje, kinderen, gezin, hij coach, ik schrijfster. Wat waren we ver gekomen in dit leven samen en wat hadden we het goed!

Sinds J. ons verlaten had, kwam ik er helemaal niet meer. Ik voelde zo’n enorme weerstand tegen de wijk waar ik toch min of meer geboren was, waar we onze eerste stappen samen hadden gezet. Paniek ook, dat dit misschien wel weer de plek zou zijn waar ik zou eindigen. Vijf hoog achter. Nee. Dat niet, dat nooit.

Mijn vader loopt alvast het winkelcentrum op, leunend op zijn stok, terwijl ik parkeer. Ik blijf even in de auto zitten, voel alle weerstand tegen hier zijn, samenkomen in mijn lijf. Ik wil weg, denk ik alleen maar.

Hij wacht op me. Of we ook nog naar een andere winkel kunnen eerst. We schuifelen, mijn weerstand als een zwaar gewicht op mijn borst, door het winkelcentrum. Er verandert hier niets, zie ik. Oude bejaarden in rolstoelen, jongeren in badslippers met kaalgeschoren hoofden, allerlei talen. We passeren het koffietentje. Er zitten heel veel bejaarden. Sommigen opgedoft. Aan de wijn of de koffie, kijkend naar een ieder die passeert.

Door, zegt mijn weerstand. Weg. Ik loop wat sneller. Maar dat heeft geen zin. Mijn vader kan niet sneller. 

En dan ben ik me bewust van die weerstand. Van de paniek.

Ik laat het opeens los, die weerstand. Ik zie mezelf opeens lopen hier. Kindjes in de buggy. Mijn moeder. J. ‘Even nog naar de die kledingzaak,’ zegt J. Een geblokt of gestreept shirt kopen. Altijd streepjes of blokken. ‘Je moet daar eens kijken, jongen,’ zei mijn vader altijd. ‘Goede zakelijke shirts voor je.’ Mijn moeder. ‘Nou, gaan jullie maar eens in die winkel kijken wat er allemaal is,’ terwijl de oudste, de middelste, de jongste de speelgoedwinkel instuift. Mijn zoon die met een doos lego in zijn handen staat, dat oranje jasje aan. Mijn dochter met een pop, haar lichtblauwe jasje aan. De jongste in de maxicosi, die ik meesleep. Een knuffel voor hem.

J. die samen met mij hand in hand de weekendinkopen doet. Die met mijn moeder daar loopt. ‘Ik zal wel even met je meekijken welke kleur jou staat.’

Ik schiet volledig vol als ik de weerstand loslaat en ik draai me om. ‘Heb je zin in koffie?’ Misschien klinkt mijn stem heel raar, want mijn keel is volledig dichtgeknepen. Ik ben het niet die dit zegt. Het is mijn moeder die het me laat zeggen. Want ik wil weg.

Mijn vader knikt blij verrast. We draaien ons om en schuifelen terug naar het koffietentje. We gaan zitten en ik wil niet voelen, maar ik voel zo godsgruwelijk veel. De tijd die voorbijraast. Verlies. Met al mijn macht hou ik mijn tranen tegen. En ik kijk. Naar de groep bejaarden naast me, die aan een tafel zitten met begeleiders. Taart, broodjes, een high tea. Ze zijn klaar en staan op. Sommigen zijn op hun allerbest gekleed. Hakken, oorbellen, dit is een uitje.

De man met de peuk in zijn mond hangend, zijn hond op een kussentje in de winkelwagen. De generaties die hier al zolang wonen. Met oma op pad. De kaartenwinkel waar ik als kind al met mijn moeder kwam.

‘Wat leuk dat u iemand bij u heeft,’ zegt de vrouw van het koffietentje tegen mijn vader. Ze beheren ook het afhaalrestaurant ernaast, waar hij wel eens komt. Hier zit hij nooit. Niet alleen.

Het is net of we er nu met z’n allen zitten. Mijn moeder, J, mijn kinderen toen ze klein waren, en wij. ‘Zeg pa, heb je Ajax nog gezien?’ vraagt J. Ze verliezen zich in spelanalyses. ‘Zondag is die wedstrijd op tv, komen jullie eten? Kijken we samen,’ vraagt mijn vader. Mijn moeder zegt tegen de kinderen dat ze een taartje uit mogen zoeken. Ze rennen naar de vitrine, hun snoeten ertegen gedrukt. Alles is goed. Precies zoals we wilden.

En ik kijk naar alles wat verdwenen is.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s