Het Verending afl 9 – ‘Doe niet zo zielig!’

Waarschuwing: dit blog bevat verdriet, gevloek en Kazachstaanse volksliedjes

 

De ene dag gaat beter dan de andere. Ik herken dit uit de column van Suzanne Rethans in het tijdschrift JAN en uit de columns van collega Anna van Praag. Dat je de ene dag strijdlustig bent en denk; f*ck it all, move on, somewhere out there is happiness! En dat je de andere dag wakker wordt en uren naar het plafond kan staren en niet meer op wilt staan en in het matras wilt verdwijnen. Het is een patroon aan het worden. Alleen is het wat grillig, dat patroon en laat zich moeilijk voorspellen wanneer ik: f*ck it! denk en wanneer ik: hou me vast… denk.

We zitten in het theater, een zondagochtend concert. Mijn jongste zit naast me. Want er moet een dossier ingeleverd worden voor CKV en dit is een prima activiteit daarvoor. Bovendien denk ik dat er wel iets van Einaudi gespeeld zal worden, en dat vindt hij leuk. Maar ik voel het verending in mijn lijf. Onbestendig. Zoals ik vanochtend ook al naar het plafond staarde en wist dat ik eruit moest. Niemand om de veren weg te blazen.

‘Deze zangeres,’ zegt Cor Bakker, wijzend op Fay Claassen, ‘brengt bij mij emotionele incontinentie teweeg. Als ik haar hoor zingen, moet ik huilen en blijft het stromen, soms wel twintig minuten lang.’

Shit. Juist muziek heeft altijd een sterke uitwerking op me. Er is geen radiozender waar ik me nog veilig bij voel, of het nu Q-music is, Jazz FM, of radio2. Alle liedjes uit de top 50 van de afgelopen maanden, zelfs de catchy dancetunes, brengen herinneringen boven en laten me huilen. Laat staan van emotionele nummers. Zo wil ik ook helemaal niet zijn, dit was nooit de ambitie, maar het is er. Ik kijk om me heen. Zoon zit wat verveeld te kijken. Ik dwing mezelf aan andere dingen te denken omdat ik niet in navolging van Cor Bakker twintig minuten wil huilen hier. Aan hoe ik nog steeds geen loodgieter heb voor het dak. Aan de lezing die in overmorgen ga geven en nog wat beter in elkaar moet zetten. En zo kom ik het concert door. Steeds als ik denk: o, o… dan let ik op de schoenen van Cor (in hoeveel kleuren maken ze die, hoe heet deze specifieke tint blauw) of op de belichting van het theater of op mijn zoon, die soms wat wegdut bij de muziek en waar ik dan om moet lachen. Verdorie, is het nou halloween? En ik heb nog geen snoep om uit te delen – zou ik wegkomen met kattenbrokjes? Ik denk aan de GP vanavond op tv. Afleiding… Ik kom het concert zonder kleerscheuren door. En ook de nazit. En daarna, als ik even alleen thuis ben, kom ik zelfs dat droog door, terwijl ik verwoed avocado’s pureer voor guacamole. Het verending fladdert rond in mijn lijf. Dan naar het terras met dierbare mensen en dat gaat ook super. Lachen, gezelligheid, gesprekken. Gevaar geweken. Denk ik. Ik stap in de auto naar huis. Pfieuw. Weer een dag goed doorgekomen, zo goed als. Opgelucht zet ik de radio aan. Ze draaien ze een heerlijk dansnummer, dat ik de afgelopen weken zo vaak meezong. Dat iets betekent. En dan komen ze toch. Twintig minuten lang.

O, en die waarschuwing hierboven? Sommige mensen vinden wellicht dat het wat zielig is, al dit verdriet. Dat zei laatst iemand. ‘Doe toch niet zo zielig,’. Sorry, dit ben ik nu eenmaal, ik ben niet alleen vrolijk en happy-go-lucky, maar ook dit – dit maakt mij een completer mens. En je hoeft het niet te lezen als het je oncomfortabel maakt, of als het te dichtbij komt. Als je alleen de ‘wat zijn we allemaal gelukkig!’-berichten wilt lezen, sla je het verending systematisch over. Vandaar de waarschuwing: bevat vloeken en verdriet. Take it or leave it be. 

Ik ga in ieder geval op zoek naar een Kazachstaanse muziekzender, met louter volksliedjes. Zoals deze: kazahk song

 

En die k*tschroeven passen ook al niet…

Het Verending afl 7

Ik kon erop wachten maar het vreemde was, dat ik het van tevoren niet bedacht had. Het zwarte gat na De Reis. Want in alle tumult hield ik mezelf steeds voor: ik ga nog lekker weg, naar Azië. Dat stond als een soort parabool over alles heen. En ook al was Azië soms eenzaam, het was ook een heerlijke plek om weer te mogen zijn. Om mezelf te mogen zijn. En ja, ik huilde soms, even. Omdat het niet altijd lineair omhoog goed gaat, omdat ik mensen mistte. Omdat. Gewoon omdat ik het afgelopen jaar zoveel gehuild heb en mijn tranen weinig nodig hebben om hun weg weer langs mijn mascara naar beneden te vinden.

En toen was ik opeens terug. Geen parabool meer. Wel een gestripte trap die nog megaveel werk vereist. Bergen wasgoed. En bovenal: de mensen die ik gemist had.

En nu?! Ik heb haakjes nodig in de toekomst. Dat was altijd al zo.  Weten dat – ook al is het soms twee passen vooruit, een pas achteruit – ik na een poos wel terug kan kijken en denken: wow, dat pad heb ik al afgelegd en kijk mij hier nu staan, gelukkig en al. Gegroeid als mens. Het leven ten volle aan het benutten. Mijn verjaardag, over twee weken, torent als een soort obstakel voor me. De feestdagen. Ugh. Hoe?! Terwijl ik naar een school reed gisteren, bedacht ik me opeens dat ik mijn verjaardag het liefst gewoon in Parijs zou vieren, onder de Eiffeltoren staan of aan de oever van de Seine met een fles wijn. Vorig jaar had ik in Rome willen staan op mijn verjaardag, pizza eten op de trappen op een pleintje, maar dat ging niet door vanwege de dood van mijn moeder. En misschien moet ik niet vluchten en het maar laten gebeuren. In de auto stappen kan altijd nog.  Parijs is niet zo ver weg.

Maar ik dobber nu nog vooral erg hard rond op een zee in een storm die ik zelf niet in de hand heb. Een vriendin zei me een poos geleden: het is als zeilen op een woeste zee. Soms doodeng, soms windstil, en je laat een haven achter je die op zich oké was, maar waarop je wel was uitgekeken. Een plek om met warmte aan terug te denken, maar geen plek o te blijven.  Dus hou je blik op de haven waar je aan wilt komen, ook al denk je soms dat je beter om kunt draaien en terugkeren, omdat de golven zo hevig zijn. En dan weet je dat je in die oude haven ligt en spijt hebt dat je niet doorging, omdat je toch de overkant wilt bereiken en dwars door de storm heen moet. Doorgaan, want de nieuwe haven is mooi, een goede plek om aan te leggen.

Dus dobber ik, zwenk ik, probeer te zien waar oost, west is. Soms kijk ik achter me en constateer tevreden dat ik al een heel eind heb afgelegd. Dat ik ervoor gekozen heb mezelf een ander pad in te laten gaan. Follow the sun. Follow my heart. Zoals het liedje gaat. En dat de eindhaven dus steeds wat dichterbij komt, ook als een hoge golf me even terugwerpt en ik alleen maar bezig ben de boot weer recht te trekken en het water eruit te scheppen.

En toch. Als die k*schroeven niet passen op de nieuwe wc-bril die ik vanochtend probeerde te installeren, komen de tranen weer. Onmacht. Haakjes. Ik heb haakjes in de toekomst nodig. En langere schroeven…

Doorvaren. Ik moet doorvaren. En naar een bouwmarkt om schroeven te gaan kopen. Dat ook.

‘Hello, miss, where you going?!’ Het verending afl 6

 

Ik word wakker en luister naar de stilte. Mijn lichaam schommelt niet meer zoals het gisteren deed, alsof ik nog in het vliegtuig zat. Proprioceptie, schijnt dat te heten. Je lichaam houdt urenlang een spanning vast (als je op een boot zit, of in een vliegtuig) en die spierspanning wordt het ijkpunt voor je waarneming. Dus wanneer je na een paar uur van een boot of uit het vliegtuig stapt, denkt je lichaam nog een hele poos dat het de spierspanning aan moet houden, omdat dat het ijkpunt is geworden. Maar ik word wakker zonder een luchtlijf.

De reis was heerlijk. Ook spannend, inspannend, vermoeiend, oppeppend, verdrietig, eenzaam, gelukzalig. Nou ja, alles dus zo’n beetje. Alles passeerde het spectrum – maar bovenal genoot ik en vond ik het ook best een beetje stoer van mezelf. Het kwam op het juiste moment, of misschien ook weer niet. Want terwijl mijn lichaam en geest nog moesten wennen aan een nieuw ijkpunt – het alleen zijn – mocht in naar Azië, de Hollandse School bezoeken in Singapore. Daarna, had ik in al mijn wijsheid besloten, zou ik nog een paar dagen naar Bali gaan.  Alleen. Ik zou dat wel kunnen.

Maar Azië kwam dichterbij en ik wist het niet zo zeker meer. De beren op de weg werden groter. Wat als ik – ik noem maar iets niet zo willekeurig – een kakkerlak in de hotelkamer aan zou treffen?! Daar ben ik echt bang voor, dus wat als? Wie zou hem wegjagen?

‘We hebben kakkerlakken in de badkamer,’ zei mijn schoonzus toen we in de auto van Changi op weg naar haar huis waren. Zij woont al een paar jaar in Singapore samen met haar gezin. Ooit waren we samen naar Azië geweest, en toen was ze verliefd geworden op het continent. En nu woont ze er – een heerlijk toonbeeld van je dromen waarmaken. ‘ We hebben de wc met ductape ingepakt, we denken dat ze nu niet meer komen,’ vulde mijn zwager aan.

O, shit… precies waar ik bang voor was.

Het werd een bijzondere week. De bezoeken aan de Hollandse School waren enorm fijn. In de middagen was ik vrij en dan zwierf ik door de stad, door Chinatown, Little India, ik bezocht tempels, meanderde door wijkjes, shopte op Orchard Road  (en moest steeds denken aan dit suffe liedje van Leo Sayer, maar het klopte wel: I am coming home to Orchard Road) en haalde herinneringen op aan vroeger toen Singapore een standaard uitje was als we een schoolvakantie hadden. Maar ook aan de laatste keer dat ik er was, twee jaar geleden, met mijn gezin en toen ik veronderstelde dat alles goed was. Het kost me nog steeds moeite dat allemaal te herijken. En ik weet dat ik liever had gehad dat er eerlijk geweest was tegen me en dat ik dan al verder in het proces zou hebben gezeten. Op Bali zag ik daar een prachtige spreuk over. img_3128

Ik zat op terrasjes waar ik twee jaar geleden met mijn gezin zat en voelde me soms eindeloos eenzaam. Misschien moest ik die terrasjes, die plekken, maar vermijden. Ik schreef dingen van me af in mails en appjes. En langzaam verloor ik wat ballast, gaf hem terug aan de mensen die mij ermee hadden opgezadeld, en voelde ik weer dat Azië in mijn bloed zit. Het ritme, de geuren, de mensen, de talen, de warmte, het eten, de kleuren – ze zijn onderdeel van wie ik ben en wil zijn. Of het nou om een wereldstad als Singapore gaat of een kneuterig plekje op Bali – het is allemaal thuis.

Op Bali was ik echt alleen. Gelukkig spreek ik de taal, die terugvloeide als water naar de zee. Maar het was lastig om aansluiting te vinden bij andere toeristen, want iedereen was er als stelletje of als gezin en die zaten natuurlijk niet te wachten op een Eat, Pray, Love typetje aan hun tafel. Niet erg. Ik vermaakte me wel in Bali. Ik liep eindeloos langs de straten en langs de stranden. ‘Where you going, Miss?’ vroegen de mensen steeds. Tja, als ik dat eens wist… where am I going?!

Ik zag weer in hoe relatief geld en zekerheid zijn. In Indonesië leven mensen vaak bij de dag – morgen is voor morgen en heb je toch niet in de hand. Je komt met niets op de wereld en kan niets meenemen, behalve je ervaringen, de liefde, je vriendschappen. Misschien niet helemaal waar in onze westerse perceptie, maar toch bewezen de mooiste momenten op deze reis, dat geld niet belangrijk is. De zonsondergang op Bali is onbetaalbaar. Het wandelen over boomtoppen in een stukje oerwoud van Singapore was ook zon’n rijk moment. Ik had het alleen graag willen delen.

img_3359

Ik trakteerde mezelf op schoonheidsbehandelingen, op lekker eten, op overweldigende  uitzichten. Ik liet mijn horloge af en leefde gewoon het ritme van het leven daar. Ik zag welgeteld een kakkerlak deze reis – die lag dood op de stoep te wezen en ik maakte er een foto van. Dat waar ik het meest bang voor was (echt, ik heb een kakkerlakken trauma) gebeurde niet. Geen kakkerlak in de hotelkamer en ik had al bedacht als het wel zo zou zijn, ik het aan zou kunnen. Ik ben wel gegroeid tijdens de reis. 🙂 Ik weet dat ik het kan, alleen reizen.

Ik weet ook dat ik het niet wil, alleen reizen. Dat ik de volgende keer weer iemand naast me wil met wie ik me verwonder, tegen wie ik kan zeggen ‘Mooi, heh?!’, met wie ik vreemde gerechten kan proeven, die hand in hand met mij door straatjes wil dwalen en naar onbetaalbare zonsondergangen wil kijken. Met wie ik een bintang bestel en met wie ik op het leven kan proosten. Naast wie ik wakker word en die net zo geniet van een ander land als ik.  En die, indien nodig, toch de kakkerlakken wegjaagt. 🙂