Vrouwen, waar is jullie ‘Inner Bloke”?! – ofwel: het gebrek aan vrouwen in het literaire prijzencircus

dude

Eerst even wat droge cijfers.

Vanaf 1980 tot nu zijn er 35 boekenweekgeschenken verschenen. Slechts zes daarvan werden door vrouwen geschreven. Uit onderzoek van onder andere Opzij, is gebleken dat van alle boeken die gerecenseerd en besproken worden, slechts 27 procent geschreven is door vrouwen.

In het prijzencircus voor de boeken, komen vrouwelijke schrijvers er ook belabberd van af: sinds 1987 tel ik 5 vrouwelijke winnaars van de AKO literatuurprijs. Sinds 1987 was slechts 3 keer een vrouw de voorzitter van de jury. En om maar gelijk te ontkrachten dat een vrouwelijke voorzitter dan ook een vrouwelijke winnaar impliceert: slechts onder 1 vrouwelijke voorzitter, won een vrouwelijke auteur de prijs. Er zijn natuurlijk tal van literaire prijzen te vergeven in Nederland, maar AKO is wel een van de bekendere, samen met de Libris Literatuur prijs: sinds 1994 won een vrouw tweemaal de Librisprijs. De publieksprijs voor het Nederlandse boek (ook wel Boek van het jaar of de NS Publieksprijs) doet het beter: 16 vrouwelijke auteurs hebben deze prijs gewonnen sinds 1987. Is dat omdat het publiek mag stemmen en de keuze niet door een overwegend mannelijk jurybolwerk bepaald wordt?! De Gouden Strop kent sinds 1986 twee vrouwelijke winnaars.

Op de AKO shortlist van dit jaar staat niet een vrouwelijke auteur. Op de longlist van 25 boeken, waren slechts 3 daarvan geschreven door een vrouw.

Het is een periodiek terugkerende discussie: waar zijn de vrouwen in het literaire prijzencircus van Nederland? En wie verder kijkt, ziet dat dit ook in andere landen speelt, bijvoorbeeld bij de Man Booker Prize (what’s in a name…).

Ook in Nederland pissen heel wat mannen en vrouwen over deze discussie. Zo meent Jamal Ouariachi in Vrij Nederland dat vrouwen gewoon de lat wat hoger moeten leggen. Want mannen schrijven bijvoorbeeld vaker een dikke pil dan vrouwen. Persoonlijk vind ik niet dat het aantal pagina’s, de dikte van het gekozen papier, de spatiëring en het aantal woorden een typisch gevalletje ‘lat hoger leggen’ zijn, maar dat de potentie vooral zit in de kwaliteit van de woorden. Maar ik ben dan ook een vrouw.

Veel gehoorde tegenargumenten, toen ik op sociale media mijn onbegrip uitte over het gebrek aan vrouwen op de AKO shortlist, waren:

vorig jaar won er nog een vrouw…

het gaat niet om de sekse maar om de kwaliteit en blijkbaar leveren mannen die wel…

de tegenvraag: wie zou jij dan op de shortlist hebben willen zien? 

er zitten gewoon vrouwen in de jury, dus je mag ervan uitgaan dat het eerlijk gaat (de ‘just world’ theorie)

vrouwen schrijven zo vaak vrouwenboeken – lees: pulp

trek je de integriteit van de jury nu in twijfel?

-ook reageerde een vrouwelijke schrijver die een project had gedaan: ze had zich voorgedaan als mannelijke schrijver en kreeg opeens veel meer uitgevers achter zich aan dan toen ze gewoon zichzelf was.

Griffin-Banner-wide-copy

Opzij heeft haar eigen literatuurprijs in het leven geroepen, omdat het blad deze ongelijkheid in het literaire landschap ook constateerde. Saskia de Coster won de prijs dit jaar. Ze ontbrak op de AKO longlist.

Inner Bloke!

J.K. Rowling is toch een van ‘s werelds bekendste auteurs. Nadat ze van de Harry Potter reeks los wilde komen, koos ze voor een mannelijke alter-ego: Robert Galbraith. Zelf zegt ze daarover dat haar uitgever geen idee had dat zij het boek geschreven had, waarop Rowling trots in een interview zegt  “I am proud to say, though, that when I ‘unmasked’ myself to my editor David Shelley who had read and enjoyed The Cuckoo’s Calling without realizing I wrote it, one of the first things he said was ‘I never would have thought a woman wrote that.’ Apparently I had successfully channeled my inner bloke!”. Ik geloof dat wanneer Dan Brown trots zou verkondigen dat hij aangezien werd voor een vrouw en zijn ‘inner babe’ had gevonden, niemand hem serieus zou nemen. Het zou ‘one big joke’ zijn. Een van de weinige auteurs die meer succes had als vrouwe dan als man, is Paul Goeken alias Suzanne Vermeer. En na zijn/haar dood, heeft Bruna er een ‘geheim gehouden’ auteur opgezet om onder de naam Suzanne Vermeer verder te schrijven. Een soort Geronimo Stilton voor volwassenen dus.

Moeten vrouwen eerst hun inner bloke vinden voordat zij evenredig naar hun bijdrage in de wereldbevolking op de shortlist van literaire prijzen komen te staan? Is dat dan het antwoord? In mijn ogen is dat rauw historisch seksisme.

De mooiste quote dit weekend las ik in Trouw over (het gebrek aan) vrouwen aan de top in bedrijfsleven. Hoogleraar Esther-Mirjam Sent zei daarover: “zonder kritische massa zal de kwaliteit van vrouwen altijd bekeken worden door de seksebril.” Dat geldt wat mij betreft ook voor vrouwen in de literatuur. We moeten dus een kritische massa krijgen.

En nu nodig ik jullie van harte uit om hier weer vrolijk overheen te pissen. 

Mijn haat-liefde verhouding tot sociale media

Laat ik vooropstellen dat ik DOL ben op sociale media. Als schrijfster zit ik de hele dag achter een bureautje met uitzicht op een muur en mijn pc- en dan is het heerlijk om op Facebook te zien wat anderen bezighoudt. Het is mijn uitzicht op de kantoortuin, op de koffiehoek. Facebook stelt me in staat te zien wat mijn vrienden over de hele wereld bezighoudt. Ik zie de kinderen van mijn vriendinnen die op een ander werelddeel wonen, opgroeien. Ik mag meekijken naar de geweldige reizen die vriendin A maakt met haar echtgenoot, ik volg de worsteling van S in zijn strijd tegen een vreselijke ziekte, ik zie C opkrabbelen nadat ze verlaten is door haar man. Ik becommentarieer, like en deel. Heerlijk. Ik HOU van mijn virtuele kantoortuin.

Maar nog meer hou ik van echt contact. Als mijn pubers thuiskomen, wil ik horen wat ze op school of studie hebben gedaan. Alleen is het eerste wat ze doen, online gaan. Ze gaan in de snapchat verder met het gesprek dat ze op school of op de fietst voerden met vrienden. Er worden gekke bekken getrokken en foto’s gemaakt want dat is hoe snapchat werkt. Ze zijn moe en willen even ‘unwinden’. Prima. Ik laat ze. Er worden filmpjes gekeken op youtube of facebook. Gameplay is populair: kijken hoe een ander gamed en daar commentaar bij levert. Goed voor urenlang mindless zombieachtig kijkgedrag. Ik roep dat er een limiet aan zit. Twee uur per dag ‘schermtijd’ buiten huiswerk om. Daar houdt niemand zich aan. Wifi eruit trekken heeft geen zin, dan switchen ze gewoon over op de wifi van de buren.

Vanaf het moment dat ze wakker zijn, gaan ze online. De hele dag door hoor je hier in huis het geluid van irritante 9GAG filmpjes of gameplays. Vanuit de badkamer schalt het door het huis heen. De mobiel is hun muziek, hun levenslijn met de buitenwereld, hun entertainmentcenter geworden (ze kijken nooit meer tv, behalve als er voetbalwedstrijden zijn). Ze maken er huiswerk op en mee, bespreken al hun problemen via de chat. Ze hebben niet meer de leeftijd dat je ze als ouders van alles kunt verbieden. Er komen geen mobieltjes mee aan tafel, en ik hoop altijd dat hij niet meer naar de slaapkamer gaat maar die strijd heb ik helaas verloren. Een 19 jarige laat zich dat niet meer vertellen.

Als mijn partner thuiskomt, gaat hij ook op de bank met zijn mobiel. Die mobiel blijft de hele avond wel binnen handbereik. Voetbaluitslagen checken, artikelen lezen, facebook checken, chatten met mensen, afspraken maken, netwerken. Hij heeft daar overdag weinig tijd voor, dus ik gun hem die tijd ook. En zelf zit ik ‘s avonds ook geregeld achter mijn mobiel, omdat iedereen naar een schermpje zit te turen, lacht om een grap die iemand in whatsapp maakt, of een filmpje. Ik wil liever met elkaar lachen, met elkaar praten, met elkaar naar muziek luisteren, maar je houdt de verandering (nee, ik noem het geen vooruitgang, maar gewoon verandering) niet tegen. En er zijn natuurlijk allerlei goedbedoelde adviezen die ik op kan volgen of proberen: een avond in de week geen internet; na 20 uur geen mobieltjes meer – maar dat haalt niets uit. Er is altijd een bericht dat toch verzonden moet worden, een artikeltje dat nog gelezen moet worden.

Afgelopen week bij het concert van Pharrell Williams in het Sportpaleis in Antwerpen: 18.000 mensen. Overal lichtten mobieltjes op. Voor me zaten twee vriendinnen. Ze kletsen niet met elkaar maar eindeloos op snapchat. Het mobieltje ging soms in een tas, om er nog geen minuut later weer uit te komen. Facebook werd continu gecheckt. Naast me, achter me – overal hetzelfde. Mijn mobiel zat, bij gebrek aan een buitenlandbundel, gewoon in mijn tas, waar hij niet meer uitkwam.

Alleen maar kommer en kwel? Nee, want ze laten me ook leuke filmpjes zien, ontroerende dingen die ik anders nooit zou zien. Ik luister naar muziek die ze me voorschotelen en die ik anders niet zou horen. Ze whatsappen soms iets liefs (en ik weet dat er mensen zijn die dat belachelijk vinden, maar ik niet: ik vind het lief om een whatsapp vol hartjes te krijgen). Het levert ook gespreksstof op.
Maar wat kan ik soms intens verlangen naar de tijd dat sociale media nog niet bestonden. Toen bellen nog gewoon met een vast toestel moest. Toen contact gewoon nog 1 op 1 was. Was het nog niet zo lang geleden een luxe, een teken van welvaart, als je een smartphone had, tegenwoordig is echt contact een luxe geworden, die weinig mensen zich lijken te permitteren. Wil ik dan offline leven? Nee. Helemaal niet. Zoals ik al zei – ik hou van sociale media. Ik heb het antwoord ook niet, ik heb alleen maar de vraag: hoe breng je balans in een gezin waar de smartphone een extra, graag gezien gezinslid is geworden?