De jeugd heeft (g)een toekomst, Mark.

Hai Mark,

Fijn dat de kappers weer open mogen. En dat je met maximaal 1 andere persoon op de verdieping van een IKEA of Bijenkorf of HEMA of zo mag lopen. Tien minuten. Fijn dat middelbare scholen weer deels open mogen. De jeugd heeft namelijk de toekomst.

Maar je vergeet stelselmatig 1 groep, Mark. En mijn hart breekt zo langzamerhand hierom.

Herinner je je nog, Mark, hoe dat was in je studententijd, daar bij de studie geschiedenis in Leiden? Hoe leuk het was om met gelijkgestemden te discussiëren over wat je leerde? Hoe je vrienden in die tijd maakte, die je voor de rest van je leven hebt? Diezelfde vrienden bij wie je nu even jezelf mag zijn als je uit dat torentje naar huis fietst?

Belangrijk, heh, die tijd. Ik zelf heb een HBO opleiding gedaan. Een heerlijke tijd. Ik leerde er van alles over studentenverenigingen, over bestuursfuncties. Ik ontmoette er mijn (ex)man, en maakte er vrienden voor het leven. Ik leerde er zelfstandig zijn. Een vormende tijd, zonder meer.

Mark, ik heb drie studenten. Een daarvan studeerde al aan de uni, de andere twee begonnen er dit studiejaar aan. Drie keer raden hoe vaak zij de campus hebben gezien. Juist. Nul keer. Medestudenten? Nee, nou ja, via Zoom. Iedere les, iedere werkgroep is via Zoom. Tentamens? Via Zoom. Met meerdere camera’s aan. En maar hopen dat je WiFi het houdt, want als die er even uitklapt, denken ze misschien wel dat je spiekt of zo. De universiteitsbibliotheek zodat je onderzoek kunt doen? Vergeet het – nul keer.

Dat er weer wat meer mag, Mark, is fijn. Maar je vergeet ze, keer op keer. Ze worden nauwelijks genoemd, de studenten.

Neem mijn jongste. Hij wordt misschien wel een briljant psycholoog. Hij begon vol energie en zin aan de studie psychologie. Hij vond het geweldig.

Maar de rek is eruit. Waar hij vanaf september braaf alles online doet, is het eigenlijk nu, na 6 maanden online en nooit eens naar de campus, na zes maanden niemand in het echt zien van je studie, een beetje op. Hij heeft er niet zoveel zin meer in. Terwijl hij geweldige punten haalt. ‘Altijd maar dat scherm,’ zei hij vandaag moedeloos tegen me. ‘Ik ben het zo beu. Ik zie niemand, ik ken ze niet in het echt.’ Gisteravond in de persconferentie, werd hem gewoon weer geen perspectief geboden.

Niets eens: jullie zijn de eerstvolgende groep voor wie we aandacht hebben.

Ze bungelen ergens onderaan je agenda.

Ze betalen al hun collegegeld. Voor wat?! Ik ken al een aantal studenten die gestopt zijn. Kinderen van vriendinnen. Die hebben er geen zin meer in, dat online en niets mogen en niets kunnen.

Vergis je niet, Mark. Studenten zijn per definitie gemotiveerd. Ze steken zich vaak diep in de schulden, om die studie te kunnen doen. Ze weten dat ze minimaal drie maar waarschijnlijk veel en veel langer bezig zullen zijn met bachelors en masters. Ze willen naar de campus, ze willen die collegezalen in. Ze willen elkaar ontmoeten, vrienden voor het leven maken, ze willen later ook kunnen zeggen dat het de leukste tijd van hun leven was. Ze willen niets steeds gedeprimeerder achter hun schermen zitten.

Maar ze bungelen onderaan. Al was er maar een plan dat ze eenmaal per twee weken naar de campus mochten. In kleine groepjes – en het zijn studenten, dus zij begrijpen die 1,5 meter echt wel, beter dan brugklassers of zo.

Wanneer mogen zij weer, Mark? Kun je daar iets zinnigs over zeggen? Kunnen we het eindelijk over de studenten gaan hebben – de beleidsmakers, virologen, artsen, economen en psychologen van de toekomst?

Want de jeugd zou toch de toekomst moeten hebben? Maar wat is een toekomst zonder perspectief?

Groet van een moeder van drie studenten.

#MarkRutte #studenten #lockdown #crisis #hugodejonge #kabinet #VVD #D66 #cda #perspectief

A picture of Dick

A picture of Dick.

Hallo Cor, goedemorgen!
Wat leuk dat je mij een bericht in messenger wilde sturen, gisteren. Ik dacht: misschien een boekhandelaar die iets wil weten over mijn boeken. Of gewoon een lezer. Je had in ieder geval een Hollandse naam. Cor P. Ik krijg zo vaak berichtjes van bijvoorbeeld hele mooie Amerikaanse soldaten met klinkende namen als Tom Wilkins of zo. Die open ik, ik lees hun liefdesbetuiging – je wilt niet weten, Cor, hoeveel Amerikaanse soldaten er gelegerd zijn in Afrika (ik denk op secret missions), in Afghanistan of zelf Fort Lauderdale. Ze hebben mij eindelijk gevonden, de lady, de love of their live. Maar goed, ik ben pacifist (net als Pelle), dus ik blokkeer ze. De soldaten hebben opvallend vaak pas een dag van tevoren een profiel aangemaakt – wat ik dus snap, heh, want op secret mission. En al was ik dus geen pacifist, heh, dan zou ik toch niet echt een relatie willen met iemand die ik misschien op een dag in een body bag terugkrijg. Een enkele keer krijg ik bericht verzoeken die ik dan open en dan zie ik daar een soort Arabische sjeik. Echt, het lijkt wel de bouquet reeks! Vaak sturen ze dan een virtuele roos mee. Kijk, die hebben al iets meer begrepen van hoe je met vrouwen omgaat. En terwijl ik dan visioenen krijg van een jetset leven in Dubai, vliegend in de first class van Emirates, bekijk ik hun profiel. Opvallend vaak hebben ze daar dan vrouwen die schaars bedekt staan op gezet. Dat waardeer ik – ik denk dat het hun manier is om te zeggen dat zo’n vrouw niet bedekt hoeft te zijn en onder een kleedje gegooid hoeft te worden. Cor, eerlijk gezegd ben ik dan wel eens in de verleiding, hoor, om erop in te gaan. Alleen dat Arabisch is zo verdomde lastig – zelfs Google translate komt niet goed uit de liefdebetuigingen. Ik lijk op een ster op een kompas en de soep is warm, of zoiets. Nou ja, die blokkeer ik dan uiteindelijk ook maar. Voor je het weet wordt het een gebed zonder eind. Dan zijn er nog de overduidelijk heel verlegen mannen, Cor. Die sturen je een bericht verzoek met ‘Hello’ en soms zelfs ‘Hello beautiful.’ Geloof me, als je je ooit als oud vuil afgedankt voelde, is dat echt fijn, zo’n compliment. Maar daar blijft het dan bij, bij ‘Hello’. Dan denk ik: is it me your looking for? Maar goed. Jij, Cor, pakte het heel anders aan. Je stuurde me een bericht verzoek en ik opende het nietsvermoedend. En daar was hij dan. A picture of Dick. En wat voor Dick. Mijn hemel. Kijk, Cor, op zich vind ik mannen die zich bloot durven te geven, kwetsbaar op durven te stellen, een verademing. Alleen echte, sterke mannen durven kwetsbaar te zijn. En ik weet dat ik daar wel eens op hint, hoor, dat ik nu wel eens een echte, integere, open, kwetsbare man in mijn leven zoek. Met mijn 55 jaar ben ik daar nu wel aan toe. Maar toch… Je schreef er nog bij – in keurig Nederlands – dat je het zo fijn vond om foto’s van Dick te sturen. Misschien kon ik wat terugsturen. Nu ken ik geen Dick, dus dat wordt lastig. Je had ook je profielfoto erbij gezet uiteraard. Een gezicht. Ik klikte, nieuwsgierig, op je profiel. Het bleek niet eens pas gisteren of vorige week gemaakt te zijn. Nou ja. Ik heb je een paar lach icoontjes teruggestuurd. Niet deze 🙂, maar die waar de tranen van je wangen rollen. Humor, Cor, ik hou ervan in een man. Toch leek je me behoorlijk van het Patje. Maar om je nu niet teleur te stellen, heb ik een ook picture of Dick voor je gezocht. Ik ben de beroerdste niet. Dus, Cor, speciaal voor jou (en ik hoop dat je hem nog kunt zien, voordat FB je profiel verwijdert want ik heb je dus wel gerapporteerd). Een picture of Dick (en volgens mij nog ooit militair ook – het is weer mooi rond, vind je niet, Cor? Cor?

Ik twijfelde over dit blog…

Maar ja. Als je een YA-boek uitbrengt over een aanranding of verkrachting, over consent, een boek waarvan je hoopt dat het zinvolle gesprekken oplevert in klassen, dan moet je misschien met de billen bloot. No pun intended.

Laat ik voorop stellen dat ik er geen last meer van heb. Het ligt achter me. En het was geen verkrachting, maar een aanranding. Ik was veertien en dobberde in de Griekse zee. Ik had al lang geen kinderlichaam meer. Veertien en nieuwsgierig en me bewust van de blikken die mannen op me wierpen als ik ergens liep. Mijn ouders zaten op het strand en ik was met het luchtbed het water ingelopen.

En daar was ik een flink stuk van de kust afgedreven, tot er bijna niemand meer om me heen was. Op die ene man na, die me achterna gezwommen was, blijkbaar.

Ik was een goede zwemmer, zat in een zwemteam in Indonesië. De man zei in het Engels dat ik best ver van het strand was en dat hij moe was, mocht hij even naast me liggen? Met verdubbelde hartslag liet ik me in het water zakken en ging ik, op mijn buik, overdwars op het luchtbed. Ik begon terug naar het strand te zwemmen. De man kwam achter me zwemmen en greep mijn enkels. Hij maakte er zwembewegingen mee. Zei iets over hoe goed ik zwom, en ondertussen was ik volledig in paniek. Ik kon hem niet schoppen, lag op mijn buik en het enige dat ik kon denken was dat hij me zo onder water kon trekken. Zijn hand gleed omhoog. Hij voelde. En ik trapte als een waanzinnige naar de kust. Bang. Boos – op mezelf. Waarom was ik afgedreven? Niet in de buurt van andere zwemmers gebleven?

Hij liet los en begon zalvend te praten. Over zijn zoontje op het strand. Hij ging naast me liggen op het luchtbed, ook overdwars. ‘See, I help you…’

En toen ik eenmaal, misselijk en met trillende benen, het strand opliep, naar mijn ouders, kwam hij achter me aan. Liep naar mijn ouders en ging naast hen zitten. Ik trok een handdoek om mezelf heen en durfde niet tegen mijn ouders te vertellen dat hij aan me had gezeten. Ze zouden me vast nooit geloven, hij was immers zo aardig tegen hen.

Toen we een uur later het strand afliepen en ik zeker wist dat we ver genoeg van hem waren, fluisterde ik het. Dat hij tussen mijn benen had gezeten. Dat ik niets had durven doen omdat we op zee waren en hij met zijn andere hand mijn enkel vasthield en me zo onder water had kunnen trekken. Mijn ouders wisten niet wat ze met die mededeling moesten. Misschien was het per ongeluk gebeurd? Hij was toch zo aardig? En waarom had ik dat dan niet gelijk gezegd? Ik neem het ze niet kwalijk, niet meer. Het leerde me echter wel om zelf wel alert te blijven als iemand iets zei over een ongewenste gebeurtenis.

Het is me altijd bijgebleven. Hoe bang je kunt zijn en hoe moeilijk om te vertellen wat je meegemaakt hebt. Hoe je kunt denken: was het mijn schuld?

Later, in Nederland, liep ik eens op straat toen een man zijn jas opendeed. Een cliche potloodventer. En toen ik als student op kamers woonde, moest ik een medestudent de deur uitwerken die ook niet begreep dat nee echt nee was.

Zoals ik zei: ik heb er geen last meer van. Ik sprak er met vriendinnen over, ik besloot uiteindelijk dat het niet mijn schuld was dat iemand anders zijn handen niet thuishield. Ik denk alleen wel dat er heel veel meisjes (en er zullen ook jongens zijn) die iets meemaken op dat vlak en zich afvragen of het hun schuld was. Het antwoord is simpel. Nee.

Ik kom voor lezingen vaak op middelbare scholen en soms vertelt iemand me over iets dat plaats heeft gevonden. Over opgedrongen seks en hoe het meisje in kwestie als snitch wordt gezien als ze haar mond erover open doet.

Ik hoop dat dit boek de gesprekken in de klassen op gang brengt.

Hartinfarct

Ja, ik weet het nog precies. Minutieus. De avond dat hij een hartinfarct had. We hadden gedanst. Salsa. Zijn lichaam tegen dat van mij, tot hij mompelde dat hij even wat water wilde drinken. Hij bleef maar bij die wastafel staan, bezweet, en ik stond naast hem. ‘Gaat het?’

‘Ja, gewoon niet lekker.’ We dansten verder. We dronken nog wat. Niets meer aan het handje. Later die avond, terwijl hij ons naar huis reed, zei hij ‘Ik weet niet wat het was, maar zoiets heb ik nooit gevoeld. Zo’n raar gevoel.’ We kropen tegen elkaar aan in bed. Ik hield zijn hand vast, en we spraken fluisterend over wat hij dan gevoeld had.

En toen gebeurde het. Het echte infarct. Het was niet zoals dat in de boekjes beschreven stond – man grijpt naar borst – en daardoor wisten we het niet. Het was heel anders. Ik belde de arts, ondanks dat hij dat perse niet wilde. Het was niks, zei hij. Ik zag dat het alles was. Zijn redding, denk ik, dat ik belde. In de ambulance kwam het grotere infarct. Hij was gelukkig in goede handen – ik weet niet hoe het was afgelopen als dat thuis was gebeurd zonder hulp. Uren later wachtte ik hem op, op de hart IC. Ik weet wel dat ik enorm besef kreeg dat hij dus gewoon zomaar dood kon gaan, dat het niet perse iets is voor ‘later als ik groot ben’, dat doodgaan. Het kan anytime.

Toen hij een kleine week later uit het ziekenhuis kwam begon de revalidatie. Dat ging vlotjes, want gewoon een man in de bloei van zijn leven.

Alleen veranderde er wel iets. Stilletjes. Daar waar ik dacht: laten we het leven en elkaar vastpakken, dit mooie leven dat we hebben, en genieten – werden we (gezin) langzaam maar zeker buiten gesloten. In het boek Binnenste Buiten van Hans Steenbergen las ik opeens waar ik niet mijn vinger achter had kunnen krijgen. Steenbergen beschrijft hoe hij na zijn infarct op zoek moet naar zijn empathie en het gevoel van verbinding met zijn geliefden. Het lijkt weg.

‘Ik merk dat ik nauwelijks bij mijn gevoel kan komen – alsof er een slot op mijn hart is gezet en ik niet bij de sleutel kan komen. (…) Ik mis mijn empathie. (…) Mijn hart staat in de spaarstand. Het wordt opgeladen, maar niets wordt afgegeven.’

Als ik het lees, komt het me opeens angstig bekend voor. Iemand die geen verbinding meer kan maken en waarbij empathie afwezig is. Was dat ook niet de midlifecrisis?

Steenbergen sluit zich af voor zijn partner. Hij heeft immers een tikje op de schouder gehad van de dood, en waarom zou je dan nog gaan verbinden, want je kunt het toch alleen maar kwijtraken… En dus bouwt hij een muur om zich heen en acteert hij zijn weg door het echte leven, tot schrik van zijn partner.

Mijn ego gloeit in de nacht. En dan pas kijk ik naar mijn lief. In plaats van waardering, zie ik bezorgdheid. In een flits schiet het door me heen dat ik in een van mijn valkuilen ben gesodemieterd: ik schmier, ik acteer, ik poseer. In haar ogen lees ik: je denkt dat je er nu bent, maar dat is niet zo. (…. ) Er stroomt nog helemaal niets in je: de bedding van de liefde staat nog droog.(…) Betrapt! Doorzien door mijn lief. Eenmaal terug in de cottage laat ik het scherm weer over mijn hart zakken.’

BAM! Die komt binnen, want ik herken het zo. De bezorgdheid die ik als Lief voelde, was enorm. Ik zag van alles, maar kon er niet bij, omdat er een muur werd opgetrokken. Zelf stond ik ‘AAN’ sinds zijn infarct. Was ik steeds – onbewust of bewust – aan het monitoren of het goed met hem ging, of hij wel happy was. Gingen we op vakantie, dan liep ik steevast naar de receptie zonder hem, om te vragen of er ook een ziekenhuis in de omgeving was, en of er een defribilator hing, en waar dan, just in case. Dat vertelde ik hem dan niet- ik wilde dat hij onbezorgd was -, maar ik wilde het graag weten. Net zoals ik iedere nacht even checkte of hij nog ademde – zeker als het een poos stil bleef. Als dat mijn angst al was – hoe groot moet zijn angst dan wel niet zijn?

Als Steenbergen ervoor gekozen had na zijn revalidatie gewoon het leven weer op te pakken, was dit boek er niet geweest. Dan had hij zich geschaard bij de meerderheid die niet luistert naar zijn lijf en hart. Maar hij besluit op zoek te gaan naar het waarom. Hij wil weer voelen, hij wil zijn verbinding met zijn lief en zijn empathie terug. En dus gaat hij op zoek. Waarom een infarct? Wat is de zin van het leven eigenlijk? Hij gaat er head-on in met therapie, een pelgrimage, retraites en gesprekken. Al die inzichten bundelt hij in dit heldere boek, dat je zo uitleest.

Zo concludeert Steenbergen onder andere dat mensen die na zo’n infarct en na de fysieke revalidatie gewoon weer hun leven oppakken, niet goed hebben geluisterd naar hun hart. Die doen niet aan introspectie en komen zichzelf uiteindelijk ook weer tegen, later in het leven. Ik herken hier meteen een van de grote wortels van de midlifecrisis in die ons gezin uit elkaar zou trekken. Niet iedereen kan de reis naar binnen maken zonder hulp. De mensen die wel aan de slag gaan met de boodschap van hun infarct, die wel die reis maken, veranderen doorgaans iets in hun leven. Ze gaan ander werk doen, of anders werken. Ze gaan op reis, of besluiten toch een bedrijf te starten. Ze gaan scheiden of steken juist meer energie in het verbinden met hun gezin. Ze komen er doorgaans sterker uit en leren te zien dat alles verbonden is met elkaar. Hij beschrijft dit in een tien stappen waarmee je na tegenslag tot dieper inzicht kunt komen.

Dat laatste deel kun je toepassen na iedere tegenslag in je leven – of dat nou een hartinfarct is, een burn-out of een scheiding die je niet zag aankomen of wilde. Als (destijds) de levenspartner van een man met een infarct, vind ik het een verhelderend boek. Ik kan me, al lezend, zomaar voorstellen dat niet aan de slag gaan met de reis naar binnen, later leidt tot een heftige midlifecrisis waarin iemand een bom onder alles en iedereen in zijn leven legt. Ik denk dat er wel een lijntje tussen te vinden is.

Dit boek is daarmee een aanrader, voor iedereen die ooit met een infarct te maken heeft gehad en voor de partner van degene met het infarct, voor iedereen die nog iets wil leren over de impact van een hartinfarct. Het staat vol mooie quotes, die ik zelfs met mijn kinderen deel en die we in de dagen daarna nog een paar keer benoemen. Ik denk dat ik het zelfs nog maar eens cadeau zal doen aan exgenoot. Wie weet. Zo’n boek dus.

PingPong en draagbare toiletten

Het grofvuil komt morgen.

Er staat nog zoveel in huis dat weg moet. Weg kan. Weg mag. De schuur… ik durf de deur nauwelijks open te doen. Dus eerst begin ik op zolder.

Het heeft me altijd verbaasd hoe iemand die zo vertrekt, ook zijn spullen achter kan laten. Nou ja, alsof die van meer waarde zouden zijn dan de mensen die hij achterlaat. Dat is natuurlijk niet zo. Als je al terugkomt, is dat om de mensen op te halen die van je hielden en niet je dozen prullaria. Dus had ik de afgelopen jaren boeken, schoenen. kleding, administratie ingepakt en kwam hij die zo nu en dan halen, laadde het in de gezinsauto en vertrok dan weer snel. Alleen verzamel je nogal wat in een leven van 28 jaar samen. Steeds opnieuw kwam ik dingen tegen. Die sportschoenen, wat moet ik daarmee?

Laat maar staan, appte hij dan terug. Alsof er altijd een deurtje open moest blijven en hij zich zo weer hier zou voegen. Maar het wordt tijd dat ik nu toch echt alles opruim. Iedereen die gescheiden is, zal weten dat zoiets ook erg pijnlijk is.

Ik sjouw dozen vol spullen naar beneden. Zelfs een familiefoto op canvas, die al jaren op zolder stond. Ik kijk er nog een keer naar, wanneer ik hem buiten tegen de boom heb gezet. Het is een collage van gelukkige momenten als gezin.

Dan volgt de schuur. Oef. Ik kijk naar de vele spullen die er staan en begin maar gewoon. En hoe meer ik naar de straatkant sjouw, hoe weemoediger ik word en hoe meer beelden het oproept. Tennisrackets, sommigen nauwelijks gebruikt. Ik was zo’n tennisweduwe die in het tennisseizoen alleen zat terwijl hij op het gravel stond. ‘Leer je mij ook eens tennissen? Dan kunnen we dat samen doen, dat lijkt me fijn!’ vroeg ik soms. Dat gebeurde alleen niet.

Skates. Zijn oude sleetje, echt heel ouderwets en verroeste onderkant. We hadden er een blauwe badjasceintuur aangebonden, want dat deed minder pijn aan onze handen dan dat stugge touw. Beelden. Hoe de kinderen erop zaten als het sneeuwde en we samen met hen door de sneeuw ploegden, in de winter. Oude spullen van de kinderen. Zandbakspullen. Een tas vol cd’s. Sinds Spotify niet meer nodig. Ik zie ook nog dozen van onze studententijd staan, maar daar kan ik niet bij. Volgende keer maar.

Opeens komt de portable toilet tevoorschijn. Gekocht toen we voor het eerst gingen glampen, zodat we ‘s avonds niet over de donkere camping hoefden te lopen naar de toiletten met de kinderen. Zonder morren, ook al vond hij het wat onnodig, pakten we het grijze gevaarte in en reden naar Frankrijk. Een bijzondere vakantie. We kampeerden eigenlijk nooit in tenten, maar dit was glamping – kamperen met glamour. Althans, zo stond het op de site. Luxe safaritent, op een prachtige locatie. ‘s Nachts zat de tent echter vol ongedierte, dat door alle kieren en gaatjes kroop. Sprinkhanen op je gezicht als je sliep. Kikkers tegen de tentdoeken. Dikke kluwen spinnen in de nok. Al gauw hadden we alle vijf de boxprings tegen elkaar geschoven als een enorm bed, waar we met elkaar sliepen, zodat er in ieder geval geen kikkers tussen de bedden kwamen. Er was weinig glamour aan en toch was het fijn. Zoals al onze vakanties, een goede reflectie van onze relatie, –  liefdevol, warm, vol plezier, –  waren. Nou ja, tot de midlifecrisis natuurlijk. Toen werd alles anders. Ik denk nog zo vaak: WTF happened?! Ik zet de wc aan de straatkant. Ik ga toch nooit meer glampen.

Een mand vol oude hockeyspullen. Ongebruikte wintermatten uit de gezinsauto. Ik verbaas me erover wat een uitdragerij de schuur eigenlijk is. Oude pingpongbatjes. Beelden van de vakanties op campings (in caravans of huisjes – nooit meer in een safaritent;) ) waarbij met met z’n allen gingen pingpongen. Het plezier dat er vanaf spatte. Daarna tegen elkaar in slaap vallen op te krappe bedjes in te warme caravans. En toch heel happy zijn. De lol en de liefde, op campings overal in Europa. Spullen van het schoolkamp in de Ardennen. Tentjes. Wandelschoenen. We zouden nog steeds een keer naar de Ardennen teruggaan met de kinderen om te gaan mountainbiken en zo. Niet meer van gekomen. Een honkbalbal, gekocht in Disneyland. Oude golfsticks gekocht op rommelmarkten. Skates.

Als alles aan de straatkant staat, loop ik naar binnen. Er staat nog meer maar ik kan het even niet meer opbrengen. Het voelt een beetje alsof ik stukjes van mijn oude leven aan de straatkant heb gezet. Ook na al die tijd, kan de pijn van wat er allemaal gebeurd is, me zomaar overvallen. Dat wil niet zeggen dat ik niet gelukkig ben nu, dat ben ik wel, maar soms piept de pijn nog even op. Ik barst dan ook in tranen uit bij een nummer op de radio. Landslide, Fleetwood Mac.

Well, I’ve been ‘fraid of changin’
‘Cause I’ve built my life around you
But time makes you bolder
Even children get older
And I’m gettin’ older, too

Er stopt een busje en er stapt een man uit. Hij rommelt door de spullen en pakt wat dingen die hij in zijn auto zet. Ik ben benieuwd wat hij mee heeft genomen. Dan rijdt hij weg.

Ik zie het beeld weer. Pingpongen op de camping. Gezinsgeluk. Zo had het altijd moeten zijn.

Ik droog mijn tranen, ren naar buiten en zoek de pingpongbatjes. Ze liggen er nog. Goddank. Ik vis ze uit de zak en leg ze binnen weer neer. Toch nog iets gered.


Ik ben geen expert. Jij wel?

Het zijn rare tijden. Iedere dag denk ik weer: gebeurt dit echt?

Ja, het gebeurt echt.

Eerst even iets over mij. Ik ben sinds een poos alleenstaand moeder van drie studerende jongeren. Omdat er geen actief co-oouderschap is en nauwelijks overleg, behap ik dit alleen. Er is niemand tegen wie ik ‘s avonds (of in deze tijden van thuiswerken – wat ik als schrijfster overigens altijd al doe – ) overdag even kan verzuchten dat ik het eng vind, dat ik een arm om me heen wil of iemand die mijn zorgen deelt. Ik wil mijn kinderen niet teveel belasten met mijn zorgen omtrent wat er allemaal gebeurt, dus zal ik zelf een coping strategy moeten vinden. Want ja, ik vind het net zo eng als ieder ander. Maar ik ben geen expert.

Het komt op een vreemde manier goed van pas dat mijn leven en dat van mijn kinderen zo overhoop werd gehaald een paar jaar geleden en ik volledig instortte. De strategie die ik toen toepaste, helpt me nu ook.

 

We weten het gewoon niet. We don’t know shit. 

Ik ben graag op social media en zie duizend en een – wat zeg ik, zeventien miljoen – meningen. Iedereen weet het beter, of juist niet. Er wordt paniek gezaaid, er worden cijfers gedeeld, er wordt fake-nieuws verspreid zonder bronnen te checken. Sommige mensen vinden hun houvast in humor, anderen roepen dat dit een samenzwering is om ons allemaal aan een vaccin te krijgen en dat ze dat gaan weigeren, weer anderen roepen dat het maar een griepje is. Er ontstaan boze discussies online omdat er mensen zijn die roepen dat er niemand meer op straat mag en die zich boos maken om mensen die in het lentezonnetje nu buiten zijn. Italiaanse drama’s worden gedeeld om vooral te laten zien hoe erg het is.

Mensen, we weten dat dit erg is. En wat ook waar is: we don’t f*cking know what the future will bring! Achteraf, ja, kunnen we zeggen: dat deden we niet goed, of, – hopelijk – dat deden we wel goed.

Tot die tijd pas ik de strategieën toe die ik ook toepaste toen ons gezin verlaten werd. Ik kon toen geen liefdeslied meer horen zonder enorm te huilen om de teksten, en dus zette ik (serieus) Koreaanse zenders op of een Bollywood playlist. Ik begreep niets van de tekst, maar er was toch muziek en dat was troostend. Ik blokkeerde op sociale media wat en wie ik moest blokkeren om mezelf niet steeds bloot te blijven stellen aan pijnlijke posts. Ik leerde: angst en paniek en woede en verdriet veranderen niets aan de feiten. En het feit was duidelijk. Ik leerde ook: ik had nooit kunnen voorzien hoe mijn leven opeens zo kon gaan verlopen. Net zoals ik nu weet: we weten niet hoe het er over een paar weken/maanden/jaren uit zal zien. Je kunt alleen maar bedenken hoe je het nu voor jezelf en je naasten wilt doen. En ja, achteraf kun je zeggen: ik had dat anders gedaan. Dat heb ik ook als ik naar mijn persoonlijke situatie van toen keek – ik had dingen achteraf veel meer laten versnellen. Maar dat is met de wetenschap van nu.

En die wetenschap is nu is deze: mijn leven is een stuk rijker en voller dan toen. Had ik ook niet bedacht, maar door de situatie leerde ik zoveel waardevols over mezelf, hoe ik reageer, waar ik mee aan de slag moest, aan wie ik echt wat had en wie ik kon missen in mijn leven, hoe sterk ik kan zijn en waar mijn zwakke punten liggen. Dat hoop ik dan in deze situatie ook.

 

Schermafbeelding 2020-03-18 om 10.57.39

Kiss92 en seniorenwinkeluurtjes

Ik ben deze dagen groot fan van radio Kiss92. Een zender uit Singapore. Waarom? Omdat de muziek lekker gewoon is (ik kan weer liefdesliedjes horen 😉 ), en omdat hun houding t.o.v. Covid-19 een prettige is. Er is geen paniek op de radio. Er wordt niet met cijfers gegooid. Ja, ook in Singapore is er corona. Maar er wordt niet steeds gezegd hoeveel mensen het hebben. Singapore is een enorme internationale en Aziatische HUB en ik volg de ontwikkelingen van dat land graag. De mensen hebben, zoals in andere landen waar COVID-19 nog tot minder doden leidden en toch al een poos rondwaart, meer collectiviteitszin. Het wij staat vaak boven het ik. Dus wordt er opgeroepen om niet te hamsteren, omdat iedereen moet kunnen eten. De overheid heeft er een lijst uitgevaardigd wat je per keer mag kopen. Vier pakken tissues (wc-papier, zakdoekjes, keukenrol of facial tissues), niet meer dan voor 30 dollar groenten/fruit, idem voor vlees en zuivel, en maximaal 2 balen rijst.

Dat niet alleen, hand desinfectans wordt in rap tempo bijgemaakt en kwetsbare groepen mogen dat GRATIS ophalen in de winkels. Er wordt omgeroepen tot een meter afstand. Mensen lopen er met mondmaskertjes, maar dat gebeurt doorgaans toch wel makkelijker in Azie. Daar kijkt niemand van op. Ze hanteren nu iets meer social distancing.

De cijfers over besmettingen houden ze enorm goed bij en de bron traceren ze per direct. Op de radio klinkt een ‘we can do this!’ mentaliteit. En daarnaast kondigen ze nog de files aan (nog gedacht dat weten dat er file staat ergens, geruststellend is!), en welke films er draaien. Geruststellend normaal in het nieuwe normaal. 

Op mijn Facebook met vrienden uit de hele wereld, zie ik mooie dingen.  In America bij vriendin M. doen ze aan senioren uurtjes in de supermarkt. Alleen de ouderen kunnen dan winkelen en worden niet onder de voet gelopen door hamsterende hordes jongeren en gezinnen. Wat simpel en doeltreffend!

In Canada heeft Trudeau gezegd dat mensen die hun huur niet kunnen betalen, zich geen zorgen moeten maken.

Ik zie oproepen aan banken om hypotheek inningen ook een paar maanden op te schorten.

Social media distancing

Ik ben een groot fan van sociale media. Als schrijfster is weinig zo fijn als mijn ‘koffieuurtjes’ gewoon online met andere mensen door te brengen. Maar nu ben ik er voorzichtig mee. Ik ontvolg mensen die alleen paniekberichten rondsturen. Of de mensen die erop blijven hameren hoe stom wij allemaal wel niet zijn en hoe intelligent zijzelf zijn, want zij weten het beter. We don’t know shit, denk ik dan. 

Op Twitter zit een heel fijn filter, om berichten over met de hashtags corona en covid uit te zetten. Dat heeft tot een mooie rust op mijn tijdlijn daar gezorgd. Nee, dit is geen struisvogeltechniek, maar gewoon pure zelfbescherming. Ik ben leuker voor mijn kinderen als ikzelf niet in paniek ben en enorm angstig. En aangezien ze het met mij moeten doen, is dat voor nu mijn aanpak. Ook op Facebook ontvolg ik de onruststokers. Ik ben absoluut doordrongen van de ernst van alles. Maar ik doe nu echt aan nieuwsvasten en aan social media distancing – zoals filters gebruiken. Niet de hele dag NU.nl checken. In WhatsApp groepen laten weten dat als er nog meer paniekberichten worden gedeeld, ik er toch uit zal stappen omdat we er niemand mee helpen om angst te verspreiden. Ik heb Facebook wel van mijn telefoon verwijderd. Dat voorkomt dat ik er toch de hele tijd op zit en me angst in laat praten. Alleen via mijn desktop nu. Want juist nu is sociaal contact ook fijn.

download (4)

 

Ja, ik houd afstand. Ga niet naar mijn kwetsbare vader nu. Was tig keer per dag mijn handen. Eet gezond en check iedere dag met mijn kinderen hoe het voelt, hoe het is, of ik kan helpen met iets. En ondertussen bedenk ik welke boeken ik ga schrijven, want lezen blijft belangrijk, ook na Covid-19. Maak ik iedere dag een YouTube filmpje waarin ik voorlees aan kinderen. Bied mijn workshops online aan.

 

Ik ben geen expert. En we zullen niet weten of we nu het juiste doen. Maar laten we elkaar in ieder geval zo goed mogelijk helpen om ook mentaal niet onze shit te verliezen. Wees lief. Ook naar jezelf. Oordeel niet over anderen die in paniek zijn, of juist alles weglachen. Oordeel niet over mensen die mondkapjes dragen nu. Maak je eigen afweging en gebruik als basis wat de experts zeggen – het RIVM en de WHO. Stay safe, lieve mensen! 

 

 

 

#ProjectMe – happinessblog

Schermafbeelding 2020-01-14 om 12.27.37

Kun je wel in je huis blijven wonen, vraagt iedereen.

Als de zon door het raam komt. Als het aan het eind van de dag schemert en ik wat kaarsjes aandoe. Als we uit het keukenraam op het bos kijken. Als ik ‘s nachts in bed lig en luister naar uilen en jagers. Als ik ‘s avonds bij het uitlaten van Moos een vosje tegenkom. Als ik bovenkom, met de overloop-vloer die ik zelf gelegd heb, als we op de bank zitten en naar iets op tv kijken, als we aan de eettafel zitten met z’n allen, lachen en eten.

Dit huis is onze happiness-place. Dat van mij en de kinderen. Een waar thuis. Veilige haven. Basis. Zoals Blof zingt: hier leg ik aan.

Het is de plek waar geboren werd. Waar ik werk, het loopt door elkaar heen. Hier werk, schrijf, leef, lach, huil, heel ik.

‘Kun je wel in je huis blijven?’ Dat vraagt praktisch iedereen. Op een of andere wijze wordt geaccepteerd dat wie een partner verliest aan dood of  een ander of scheiding,  ook nog eens het huis zal verliezen. Ik vind dat niet normaal, heel eerlijk. Het voelt oneerlijk, ook naar de kinderen toe. Dit is hun ouderlijk huis, ook als ze niet allemaal meer iedere dag hier slapen. Ik vind het een pervers gegeven dat je zoveel meer verliest in een scheiding dan alleen die partner.

De komende 2,5 jaar wonen wij hier sowieso nog. Dat is onze afspraak, daarna zien we verder en ligt het aan wat de alternatieven zijn. Ik kan tenslotte niet onder een brug slapen en dat zal exgenoot ook nooit willen. De komende 2,5 jaar hebben de kinderen en ik in ieder geval een dak boven ons hoofd.

ruimte

Toen hij vertrok, hebben we onmiddellijk het huis ‘eigen’ gemaakt. Dat, stond in alle boeken en therapieën, was belangrijk. Wis de sporen van iets dat pijn doet, maak het van de overblijvers.  Dat deed ik. Nieuwe bank, overal foto’s in huis van nieuwe gelukkige momenten die de kinderen en ik maken. De tv op een minder prominente plek, nieuw vloerkleed (oke, noodgedwongen omdat de kat erop geplast had), andere lampen, lang leve Ikea en Leen Bakker en Kwantum. Eindelijk, dankzij mijn broer, een fijne nieuwe douchecel met deuren die blijven hangen. Nieuwe verflagen op de muren. Nieuwe planten en oude babyfoto’s, want die blijven. De boekenkast opgeruimd. De lege kledingkast durfde ik pas na ruim twee jaar te gaan inrichten met mijn kleding, want immers: hij zou nog terug kunnen komen, tijd en ruimte. Dus liet ik letterlijk ruimte over, zodat hij er weer in kon passen en pas ergens begin vorig jaar, toen ik geen ruimte meer over wilde laten, begon ik dingen op te bergen in lege vakken, lege kasten.

‘Wat hebben we een heerlijk thuis,’ verzuchten kinderen en ik met regelmaat. ‘Het is onze basis.’ Ik moet er niet aan denken dat ik dat ooit kwijt kan raken en het lijkt me voor hen ook vreselijk, als er geen thuis meer is waar ze opgegroeid zijn. Hopelijk komt het niet zo ver en is er tegen die tijd een oplossing. Keihard werken dus om dit te kunnen behouden.

 

Als ik met mijn krant of tijdschrift op de bank zit, terwijl de zon binnenstroomt. Muziekje op. Wierook aan en het buddha beeld dat rustig op ons neerkijkt.

Dat is puur geluk. Dit is onze happinessplek. 

 

#ProjectME – happinessblogs

Terwijl ik om half elf ‘s avonds door Amsterdam rijd, overvalt me een geluksgevoel. Over de smalle grachten. Over de hoge bruggetjes. De negen straatjes zijn nog zo feeëriek mooi versierd. Ik rijd langs prachtige grachtenpanden en stel me voor hoe het zou zijn daar te wonen. Langs de Indiër, die al een paar weken zijn zaak gesloten heeft. Supertramp op de radio. Uitkijken voor fietsers zonder licht. Over trambanen. Mijn moeder was dol op Amsterdam, maar kwam er niet vaak. Ik stel me voor hoe ze een sigaretje opsteekt en vol trots van boven kijkt hoe ik weer naar huis, naar mijn gezin rijd. Hoe ze trots is op hoe ik het doe, de afgelopen jaren.

Ik heb zojuist mijn laatste les van dit cursusblok gegeven. Jammer, bedenk ik me. Amsterdam is ver weg maar ik geniet intens van de avonden lesgeven in het prachtige oude gebouw, aan gemotiveerde en getalenteerde mensen. Schrijven is solitair, en dit soort trajecten zorgt ervoor dat ik me even onderdeel van iets groters voel.

Ik hou van ‘s avonds werken. Ik hou van door Nederland rijden als ik lezingen geef, van scholen bezoeken, van kinderen laten lachen en het beste uit hen04fa211746b8dff7e98d45731729dea5_largehalen als schoolschrijver, van daarna weer in afzondering (relatief) thuis zitten en de verhalen in mijn hoofd opschrijven. Ik hou van de schrijfretraite die er in september weer aankomt.

Het is niet altijd zo. Soms rij ik weg uit Amsterdam en kom ik in een soort timelapse terecht.  ‘O, even J bellen en vertellen hoe leuk de avond was!’ Dat zijn pijnlijke momenten. Zo moeten weduwnaars en weduwen zich ook voelen. Het kan niet meer. Het wordt niet gewaardeerd. Dus bel ik meestal vriendinnen die weten hoe dat voelt en na een minuut of tien voel ik me dan weer stukken beter en zoef over de A27 door.  Soms realiseer ik me dat J dit deel van mijn leven, als cursusleider in Amsterdam of Rotterdam, helemaal niet kent. Dat hij niets weet over mijn Schoolschrijvertraject, over de lezingen die ik sinds een paar jaar op middelbare scholen geef, over de boeken die eraan komen. Over Eat Stay Write. Hij maakt het allemaal niet mee, dat succes en hoe het harde werken vruchten afwerpt. Hoe blij ik ervan word.

Maar ik maak het wel mee. En de mensen om me heen ook. Het voelt heerlijk. Ik zet de radio nog wat harder en zing mee. And I will go on shining. Shining like brand new. I’ll never look behind me. My troubles will be few. 

 

 

 

Single Bells, single bells…

Single bells, single bells…

Op een Engelse nieuwssite, zag ik een -voor mij – nieuwe term: self-partnered. Emma Watson, de actrice die wel vaker een lans breekt voor single zijn, had het erover. Dat je ervoor kiest om liever alleen te zijn dan met iemand waarmee je het maar zozo hebt, gewoon omdat het niet meer dan gezellig is en je niet alleen wilt zijn, of mensen die in een mindere relatie blijven uit angst dat ze overblijven. Dan maar ‘settlelen’ voor iets dat zozo is.

Het is drie jaar geleden dat J ons zo verliet en sinds april dit jaar, is de scheiding definitief. En hoe dat voelt? Bevrijdend!

Ik heb 28 jaar gezorgd, alles gedaan, dus het was ook niet zo dat ik opeens iemand miste die voor ons kookte, hielp met huishouden of kluste of zo. J was daar niet van. Dat deed ik altijd al alleen. Hooguit vergeet ik soms de kliko buiten te zetten of is de kattenbak wat later verschoond, dat deed hij. Ik ging al vaak alleen naar de film en soms naar het theater, omdat ik daar meer van hield dan de ander. Die ruimte was er ook altijd en ik vind alleen gaan prima. Vakanties zocht ik uit – de voorpret was alleen al fijn. Er is – heel eerlijk – in dat opzicht weinig veranderd. Natuurlijk: gezelschap, iemand in bed om tegen aan te liggen, de liefde mee te beleven, het samen ouders zijn van drie kinderen en het samen ouder worden. Ik koos hier niet voor, de kinderen ook niet, maar als iemand in een midlifecrisis zit, heeft die daar geen oog voor. Het is wat het is. Ik ben ook niet bang voor het alleen zijn, ik blijk er goed in te zijn.
En waar ik de eerste keren kerst alleen volledig in paniek en verdriet schoot, en ‘ons’ miste, – want wij waren erg goed samen en ook als gezin – is dat dit jaar voor het eerst echt anders. Het is de eerste kerst dat ik niet langer getrouwd ben, officieel. Geen onrust, geen tijd geven of ruimte bieden meer op dat front en dat geeft lekker rust. Kiezen voor mezelf. Het ‘ons’ is er nog volledig, sterker verankerd dan ooit, alleen met z’n vieren ipv vijven.
Ik heb echt zin in de feestdagen! 🎄De twee dagen zijn heerlijk ingevuld met elkaar. Lekker koken, uit eten, film, opa erbij, tijd om eens wat meer te lezen. Een keertje naar een museum met een vriend en een gezellig feest met vrienden met oud & nieuw. Uitkijken naar wat 2020 brengt. Het wordt een goed jaar, dat voel ik. En ja, natuurlijk hoop ik dat er dan liefde zal zijn. Geen ‘voor de gezelligheid’- liefde maar echte.  Iemand die volgend jaar onze kerst nog meer compleet maakt. Tot die tijd ben ik best wel gezellig self-partnered. Nou ja, met mijn gezin dan, goddank. Kerst, kom maar door. Single bells all the way!
Schermafbeelding 2019-12-12 om 10.01.52

Vijfde verdieping, tweede links

Ik voel een enorme weerstand, zoals altijd, wanneer ik deze wijk inrijd. Daar waar ik, los van de jaren in Azië, mijn jeugd doorbracht. En zonder dat ik er controle over heb, laat ik de weerstand los en gebeurt het…

Schermafbeelding 2019-11-29 om 17.40.37

 

Of we nog even inkopen kunnen doen, vraagt mijn vader. Ik onderdruk een ongeduldig gevoel. Er zijn thuis nog allerlei dingen om te doen, maar ik knik en we rijden de wijk in,  naar het winkelcentrum.

Ik passeer de flat waar exgenoot en ik startten. Vol van liefde en dromen voor de toekomst. Het was zijn studentenflat geweest. Eerst hadden we in mijn studentenunit gewoond, en na een halfjaar trokken we in zijn flat en werd het onze flat. Vijf hoog in een wijk die, at best, een volkswijk nog kon heten. De wijk die ik eigenlijk al ontvlucht was, een paar jaar eerder. En nu was ik er terug met hem, en was het de plek om gelukkig te zijn.

Ik kijk vluchtig naar de vijfde verdieping, tweede van links.

We droomden toen over een eigen huisje, tuin, kinderen, carrières. Hij coach, ik schrijfster. We kregen het allemaal.

Ik was deze wijk al een poos ontgroeid. Al in mijn jeugd, eigenlijk, op het moment dat we naar Azië vertrokken. Ik paste er niet meer in en werd er vreselijk gepest als we op ons halfjaarlijkse verlof in Nederland waren. Dat meisje uit Azië, die met dat personeel, wat denkt ze wel niet? Mijn ouders hadden altijd het huis aangehouden, zodat we in ons verlof een thuis hadden. Alleen was het geen thuis meer. Dat was in Surabaya, in Jakarta, voor mij.

Toen we terugkeerden uit Indonesië, trokken we weer in dat huis. De wijk was inmiddels aan het veranderen. Van nieuwe vinexwijk, waar mijn ouders de eerste bewoners waren, naar steeds meer achterstand. Ik wilde er weg en kwam terecht in een studentenwoning in het centrum, dat ik later met J. deelde, voordat we naar zijn flat verhuisden – in diezelfde wijk dus. Mijn ouders woonden er ook nog maar inmiddels in een nieuwbouwstuk, in een prachtige grote woning, een ander wijkdeel. Na vijf jaar verhuisden J. en ik naar onze eerste echte koopwoning. 20 meter tuin, in de mooiste straat van de stad. En altijd kwam ik terug naar die wijk om mijn ouders te bezoeken. Ik bleef er lange tijd mijn inkopen doen. Dan zette ik de baby’s bij mijn moeder en kon even rustig alleen boodschappen doen.

 

Oma’s feestje

Ik liep er met mijn moeder achter wandelwagens, buggy’s. Met 1, 2 3 kinderen. De wijk was inmiddels steeds meer een plek geworden waar een splitsing ontstond. De oude generatie eerste bewoners die er nog woonden en de nieuwe bewoners die vaak andere talen spraken, of gewoon nergens anders heen konden. Maar als ik met mijn moeder liep, met de kindjes, was het feest. Oma’s feestje, en dat van ons. Oma deed niets liever dan grote glimlachen op hun gezicht toveren door ze altijd even iets uit te laten zoeken in de speelgoedwinkel, en op een taartje te trakteren bij het koffiehoekje. Kleding voor ze kopen in het kinderkledingzaakje.

De laatste jaren van haar leven kwam ik er niet vaak meer. Maar als ik kwam, stond ik even stil bij de flat waar J en ik gewoond hadden en dan realiseerde ik me hoe we onze dromen waar hadden gemaakt: huisje, kinderen, gezin, hij coach, ik schrijfster. Wat waren we ver gekomen in dit leven samen en wat hadden we het goed!

Sinds J. ons verlaten had, kwam ik er helemaal niet meer. Ik voelde zo’n enorme weerstand tegen de wijk waar ik toch min of meer geboren was, waar we onze eerste stappen samen hadden gezet. Paniek ook, dat dit misschien wel weer de plek zou zijn waar ik zou eindigen. Vijf hoog achter. Nee. Dat niet, dat nooit.

Mijn vader loopt alvast het winkelcentrum op, leunend op zijn stok, terwijl ik parkeer. Ik blijf even in de auto zitten, voel alle weerstand tegen hier zijn, samenkomen in mijn lijf. Ik wil weg, denk ik alleen maar.

Hij wacht op me. Of we ook nog naar een andere winkel kunnen eerst. We schuifelen, mijn weerstand als een zwaar gewicht op mijn borst, door het winkelcentrum. Er verandert hier niets, zie ik. Oude bejaarden in rolstoelen, jongeren in badslippers met kaalgeschoren hoofden, allerlei talen. We passeren het koffietentje. Er zitten heel veel bejaarden. Sommigen opgedoft. Aan de wijn of de koffie, kijkend naar een ieder die passeert.

Door, zegt mijn weerstand. Weg. Ik loop wat sneller. Maar dat heeft geen zin. Mijn vader kan niet sneller. 

En dan ben ik me bewust van die weerstand. Van de paniek.

Ik laat het opeens los, die weerstand. Ik zie mezelf opeens lopen hier. Kindjes in de buggy. Mijn moeder. J. ‘Even nog naar de die kledingzaak,’ zegt J. Een geblokt of gestreept shirt kopen. Altijd streepjes of blokken. ‘Je moet daar eens kijken, jongen,’ zei mijn vader altijd. ‘Goede zakelijke shirts voor je.’ Mijn moeder. ‘Nou, gaan jullie maar eens in die winkel kijken wat er allemaal is,’ terwijl de oudste, de middelste, de jongste de speelgoedwinkel instuift. Mijn zoon die met een doos lego in zijn handen staat, dat oranje jasje aan. Mijn dochter met een pop, haar lichtblauwe jasje aan. De jongste in de maxicosi, die ik meesleep. Een knuffel voor hem.

J. die samen met mij hand in hand de weekendinkopen doet. Die met mijn moeder daar loopt. ‘Ik zal wel even met je meekijken welke kleur jou staat.’

Ik schiet volledig vol als ik de weerstand loslaat en ik draai me om. ‘Heb je zin in koffie?’ Misschien klinkt mijn stem heel raar, want mijn keel is volledig dichtgeknepen. Ik ben het niet die dit zegt. Het is mijn moeder die het me laat zeggen. Want ik wil weg.

Mijn vader knikt blij verrast. We draaien ons om en schuifelen terug naar het koffietentje. We gaan zitten en ik wil niet voelen, maar ik voel zo godsgruwelijk veel. De tijd die voorbijraast. Verlies. Met al mijn macht hou ik mijn tranen tegen. En ik kijk. Naar de groep bejaarden naast me, die aan een tafel zitten met begeleiders. Taart, broodjes, een high tea. Ze zijn klaar en staan op. Sommigen zijn op hun allerbest gekleed. Hakken, oorbellen, dit is een uitje.

De man met de peuk in zijn mond hangend, zijn hond op een kussentje in de winkelwagen. De generaties die hier al zolang wonen. Met oma op pad. De kaartenwinkel waar ik als kind al met mijn moeder kwam.

‘Wat leuk dat u iemand bij u heeft,’ zegt de vrouw van het koffietentje tegen mijn vader. Ze beheren ook het afhaalrestaurant ernaast, waar hij wel eens komt. Hier zit hij nooit. Niet alleen.

Het is net of we er nu met z’n allen zitten. Mijn moeder, J, mijn kinderen toen ze klein waren, en wij. ‘Zeg pa, heb je Ajax nog gezien?’ vraagt J. Ze verliezen zich in spelanalyses. ‘Zondag is die wedstrijd op tv, komen jullie eten? Kijken we samen,’ vraagt mijn vader. Mijn moeder zegt tegen de kinderen dat ze een taartje uit mogen zoeken. Ze rennen naar de vitrine, hun snoeten ertegen gedrukt. Alles is goed. Precies zoals we wilden.

En ik kijk naar alles wat verdwenen is.